Lange tijd was De Ronde Venen een nat en onbewoonbaar veengebied.
Pas in de elfde eeuw kwamen de eerste bewoners. Op de oevers van de rivieren die rondom het gebied stroomden, bouwden zij hun huizen.
Vervolgens maakten zij wegen van boomstammen, zogenaamde zuwen.
Ook groeven zij sloten om het drassige land te ontwateren.

In de loop van de middeleeuwen veranderde het landschap. Het veen begon in te klinken, waardoor de ontwatering van het land verslechterde.
In de loop van de 15e eeuw was het niet langer mogelijk het overtollige water uit het veengebied op de rivieren te lozen. Het met zoveel moeite ontgonnen land dreigde weer prijsgegeven te moeten worden aan het water. De uitgevonden windmolens brachten echter redding. In De Ronde Venen werden er vele gebouwd.

Een nieuwe bedreiging vormde het steken van turf.
Het was bekend, dat gedroogd veen een goede brandstof was.
Aanvankelijk werd deze turf gestoken voor eigen gebruik.

Door de toenemende vraag naar goede brandstof, dit in verband met de opkomende industrieën en ambachten met name in Amsterdam, veranderde het gebruik van turf. Tot in de 17e eeuw bleef de schade nog beperkt. Daarna veranderde de winning van turf grote oppervlakten agrarisch land in water.

Na de droogmaking in 1926 ontstonden er weer polders met nieuwe agrarische gronden. Hoofdmiddel van bestaan werden landbouw en veeteelt. Vinkeveen is het langst veendorp gebleven. Door de opkomst van steenkool als brandstof na de Tweede Wereldoorlog en later olie en gas, moesten veel veenarbeiders ander werk zoeken. In de loop van de twintigste eeuw verdween de turfindustrie helemaal.

De dorpen in de Ronde Venen werden forensendorpen, maar richtten zich ook langzaam maar zeker op het watertoerisme. Tegenwoordig vormen de Vinkeveense Plassen een belangrijk recreatiegebied.